Carnaval in de 19e eeuw: van varkensblaas naar sociëteit

De foekepot of rommelpot, een traditioneel carnavalsinstrument © Frank Ruber
Optochten, prinsen, zittingen, sleuteloverdrachten en het Limburgs Vastelaovesleedjes Konkoers: het zijn stuk voor stuk onderdelen die onomstreden onderdeel zijn van het Limburgse carnaval. Maar deze georganiseerde vorm van de 'vastelaovend' is pas ontstaan in de 19e eeuw.
Tot die tijd vierden Limburgers de drie dagen voor de veertig dagen durende vastenperiode op een heel andere manier.

Herinneringen

In 1950 vertelde Willem Jozef Vromen voor de toenmalige regionale omroep ROZ over zijn herinneringen aan de vastelaovend. Vromen was in 1887 geboren in Doenrade en verhuisde later naar het toen nog landelijke Brunssum.

Blaas

Hij schreef enkele boeken over de Limburgse plattelandscultuur uit zijn jeugd aan het einde van de 19e eeuw. In de radio-uitzending zegt hij: "De vastelaovend werd op het Limburgse platteland ingeluid op vette donderdag. Dan kwam de foekepot op de proppen. Als er in de winter op de boerderij werd geslacht werd een varkensblaas bewaard voor de foekepot, een traditioneel carnavalsinstrument. Die klonk het beste als de blaas gespannen werd over een stenen pot. Groepen jongeren gingen met de foekepot van deur tot deur om spek te vragen. Vervolgens werd het spek in een herberg gebraden."

Awt Wief

Er waren ook al verkleedpartijjen, vertelde Vromen: "Aanvankelijk waren er geen maskers en gebruikte men lappen stof om zichzelf te vermommen, meestal als awt wief." En dat was vooral een zaak van jongens en mannen. Vrouwen bleven thuis. Op plekken waar men dochters had sloot men tijdens de carnavalsdagen ’s avonds de poort, bang voor opdringerige vastelaovesvierders.

Momus

Deze volkse uitingen maakten vanaf de 19e eeuw langzaam plaats voor meer gereguleerde en chiquere vormen van carnaval. In de Limburgse steden maakte het Keulse carnaval opgang: een viering met gepersifleerde hoogwaardigheidsbekleders in een deftige sociëteit. De eerste carnavalssociëteit in Limburg werd in 1839 opgericht in Maastricht. De sociëteitsleden vermaakten zich tijdens avonden waarop voordrachten gehouden werden en werd gezongen. Een van de oudste liedjes die overgeleverd zijn stamt uit 1842: de Momusmuts. Een onschuldig liedje over de driekleurige muts die de leden droegen tijdens de feestavonden.

Satire

Andere liedjes van Momus waren politiek gekleurd en zelfs satirisch. 'Wo haet Mestreech zien vaderland?' is de tekst in het refrein van een 19e eeuws liedje. Een actuele tekst toen, want de stad was tegen de wil van de bevolking voor Nederland behouden. "Moeten we het zoeken in Beierland of Pruisenland", gaat het refrein verder. Ongetwijfeld zullen de bezoekers van de Momusavond er van genoten hebben. Overigens organiseerde Momus niet alleen interne avonden, er werden in de stad ook feesten voor het volk georganiseerd. De sociëteit richtte zelfs gaarkeukens op en stichtte een oude mannenhuis.

Jocushaan

Na Maastricht volgen er in meer Limburgse steden carnavalssociëteiten voor de hogere stand. Eindelijk een chique manier om het liederlijke volksfeest te vieren zullen de dames en vooral heren gedacht hebben. In 1842 werd in Venlo carnavalssociëteit Jocus opgericht. Ook hier wordt de Keulse carnaval gekopieerd en net als in Maastricht worden liederen in het dialect geschreven. Een van de oudste liederen gaat over de welbekende Jocushaan. In het oprichtingsjaar organiseert Jocus ook al meteen een soort optocht met paarden en wagens voor de inwoners van de stad.

Volkse vastelaovend

De georganiseerde carnavalsvieringen in de sociëteiten zouden de volkse vastelaovend nog lang niet verdrijven. Niet alleen op het platteland, maar ook in de steden houden volkse vieringen nog lang stand. Revuemaker Sef Cornet uit Venlo vertelde in 1950 over de vastelaovend in de 19e eeuw: "Het feest begon 's zondags rond drie uur. Nog geen vijf minuten later verschenen de eerste maskers op straat. Elk jaar waren dat Sjang en Dries die in een vies pakje gestoken waren. In de hand hadden ze een vishengel."

Gemaskerd

De maandag was de drukste dag tijdens de Venlose vastelaovend in de 19e eeuw volgens Cornet. Verklede mensen en gemaskerde kinderen met een rommelpot (vergelijkbaar met de foekepot in Zuid-Limburg) liepen de huizen af om centen bijeen te krijgen. Jongens en meisjes uit de betere middenstand gingen gemaskerd op bezoek bij vrienden en kennissen, daar werd een kleine komedie opgevoerd waarin de plaatselijke situatie, op rijm op de hak werd genomen. 's Avonds hosten grote groepen door de straten en gingen cafés binnen waar men een hels spektakel maakte.

Sociëteiten

Na Maastricht en Venlo ontstonden er in de 19e eeuw ook carnavalssociëteiten in Valkenburg, Sittard en Roermond. Op het platteland leefde het oeroude ongeregelde volkscarnaval bijna overal ongestoord voort. Pas na de Tweede Wereldoorlog werden in de Limburgse dorpen carnavalsverenigingen opgericht. Pas sindsdien regeren tijdens het carnaval prinsen, bijgestaan door een raad van elf, in de hele provincie over hun onderdanen.

L1 Cultuurcafé

Meer weten over de geschiedenis van het carnaval in de 19e eeuw? Luister zaterdag 3 februari naar L1 Cultuurcafé op L1 Radio van 10:00 tot 1300 uur.
Waar komt carnaval vandaan? Dat leggen we in onderstaande video uit:
💬 WhatsApp ons!
Heb jij een tip of opmerking voor de redactie? Stuur ons een bericht via whatsapp of stuur een mail naar redactie@1limburg.nl!