Limburgse rampen centraal bij Maand van de Geschiedenis

Bij de explosie bij DSM (9 november 1975) kwamen 14 mensen om het leven. © ANP
Iedereen maakt in zijn leven rampen mee. Van dierbaren die overlijden tot overstromingen en oorlogsgeweld. Persoonlijke ellende en catastrofes die de samenleving ontwrichten; rampen zijn er in alle maten.
Wat een ramp is dit jaar het thema van de Maand van de Geschiedenis die in oktober georganiseerd wordt. Historicus Frank Hovens van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg maakte op verzoek van L1 en het Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap een overzicht van tien grote rampen die impact hadden op Limburg.

1 - Meteorietinslag 66 miljoen jaar geleden

66 miljoen jaar geleden werd de aarde getroffen door een enorme meteoriet, een brok steen van zo’n 10 km doorsnede. Die sloeg met een snelheid van tientallen km/s in op de plek van het huidige Mexicaanse schiereiland Yucatán. Een tsunami die zijn weerga niet kent overspoelde wereldwijd het vasteland. Desastreuzer nog waren de gevolgen van de grote hoeveelheden gloeiend heet puin en stof die de atmosfeer in werden geslingerd. Door de hitte ontstonden wereldwijd bosbranden. Gedurende een aantal jaren kon het zonlicht de aarde nauwelijks bereiken. Planten kwamen niet tot wasdom. De voedselketen raakte verstoord. Grote dieren als de dinosauriërs legden het loodje. Kleine zoogdieren wisten te overleven. Sterker nog, zonder concurrentie van de dino’s konden de zoogdieren – en uiteindelijk ook de mens – verder evolueren. Met andere woorden: zonder deze oer-ramp had de mens niet bestaan.

Sporen van inslag in mergelgroeve

Maar wat heeft dit nu met Limburg te maken? Het geval wil dat sporen van die ramp op enkele plekken in Zuid-Limburg terug te vinden zijn in de vorm van een kleilaagje in de mergel, te zien bijvoorbeeld in de mergelgroeve van Geulhem.
Limburg was voor de inslag een ondiepe subtropische zee. Skeletjes van gestorven zeedieren zonken naar de bodem en hebben op die manier de bekende mergel gevormd. Bekijk een blok mergel maar eens goed, dan zie je dat het feitelijk een opeenstapeling van kleine fossielen is. Soms vind je grotere fossielen, zoals een haaientand of de wervel van een zeereptiel.

Mosasaurus

Door de meteorietinslag is ook de Mosasaurus uitgestorven. De vondst in 1770 van de kop van dit beest in de Sint Pietersberg is voor de wetenschap van grote betekenis geweest. Na bestudering van de kop was de geoloog en paleontoloog Georges Cuvier (1769 - 1832) ervan overtuigd dat dieren konden uitsterven, een gedachte die inging tegen het Bijbelse scheppingsverhaal, dat bij letterlijke lezing uitgaat van een onveranderlijke wereld. De visie van Cuvier is een van de bouwstenen geweest voor de in 1859 gepubliceerde evolutietheorie van Charles Darwin.
In 2004 werden in de Curfsgroeve in Geulhem restanten gevonden van de kop van een Mosasaurus © Natuur Historisch Museum

2 - De Holocaust

Ten tijde van de Duitse inval op 10 mei 1940 woonden in Nederland ongeveer 140.000 joden; een groot deel van hen was uit Duitsland gevlucht. Limburg telde aan het begin van de oorlog zo’n 1500 joden. Alleen Maastricht en Sittard kenden grotere joodse gemeenschappen. In zo’n dertig andere plaatsen woonden kleinere groepen, vaak bestaande uit één of enkele families. De joden werden vanaf juli 1942 naar het verzamelkamp Westerbork vervoerd, van waaruit de treinen naar de werk- en vernietigingskampen als Auschwitz, Sobibor en Treblinka vertrokken. Ruim zes miljoen joden werden daar vermoord, onder wie 102.000 landgenoten en in Nederland verblijvende vluchtelingen. Zo’n 800 van hen waren afkomstig uit Limburg. Naast de joden waren ook de zigeuners het slachtoffer van de rassenpolitiek van de nazi’s. In de vroege ochtend van 16 mei 1944 werden 245 in Nederland verblijvende zigeuners opgepakt en naar Westerbork vervoerd. In Limburg werden er 22 van hun bed gelicht. Al drie dagen later vertrokken ze per trein naar Auschwitz. Slechts 30 van hen keerden na de oorlog in Nederland terug. Naar schatting zijn 200.000 zigeuners door de nazi’s vermoord.

Deportatie

In de herfst van 1940 namen de Duitsers de eerste anti-Joodse maatregelen. In de loop van 1941 werden de rechten van de joden steeds verder ingeperkt en hun vrijheid in de openbare ruimte in toenemende mate beknot. De weg naar fysieke vernietiging werd ingezet met de eis aan de lokale autoriteiten om een overzicht van alle Joodse inwoners te verstrekken. Op 24 augustus 1942 kregen bijna zeshonderd Limburgse joden een oproep zich de volgende dag te melden in de school aan de Professor Pieter Willemsstraat te Maastricht. Vandaar zouden ze per trein naar Westerbork worden gebracht om een 'geneeskundige keuring' te ondergaan of voor 'werk in Duitsland'. Zieken en bejaarden kregen uitstel. Dit lijkt een humane maatregel, maar het was doelbewuste schijn, een manier om twijfelaars zand in de ogen te strooien. Alles wees erop dat het daadwerkelijk een ‘werkverruimende maatregel’ betrof, zoals in de oproep stond. Dat ook vrouwen en kinderen 'mee mochten', leek hiermee niet in tegenspraak.

Vergast

Op 28 augustus vertrok vanuit kamp Westerbork de trein naar vernietigingskamp Auschwitz. Het was een dodentrein, maar dat drong niet door tot de mensen die op transport waren gesteld. De reis in de personentrein verliep redelijk comfortabel. Iedereen was opgewekt en vrolijk, zo herinnerde een overlevende zich. Een van de weinige, want bijna iedereen van de 608 personen - van wie 208 uit Limburg - werd gelijk na aankomst op 31 augustus vergast.
Het joodse meisje Netteke Zeligman (rechts) met drie vriendinnen in Meerssen. Op 17 jarige leeftijd is ze in Auschwitz vergast. © collectie Heemkundevereniging Meerssen

3 - Overstromingen van de Maas en zijn zijrivieren

Wie Limburg zegt, zegt de Maas. De majestueuze, grillige rivier verbindt Zuid met Noord. Alle andere waterstromen van Limburg monden uit in de Maas of in een van haar zijrivieren, zoals de Geul, de Geleenbeek of de Niers. Vorig jaar werd eens te meer duidelijk dat met de grilligheid en de kracht van deze rivieren niet te spotten valt.

Overstromingen zijn van alle tijden

Al in de Middeleeuwen probeerden de bewoners van de dorpen en gehuchten aan de rivier zich door dijken te beschermen, maar bij heel hoog water schoot die bescherming tekort. Overstromingen waren een vaak terugkerend verschijnsel. In de afgelopen tweehonderd jaar zijn er tal van overstromingen geweest. In de negentiende eeuw, toen kranten gemeengoed werden, werd er in dit medium ook melding van gemaakt, maar alleen wat uitgebreider als het een overstroming van uitzonderlijke omvang betrof, zoals in de winter van 1880-1881.

Grote projecten

De overstroming van de Maas in 1880 werd 45 jaar later overtroffen door het hoogwater van december 1925 en januari 1926. In december 1993 ging het weer mis toen de Maas buiten haar oevers trad en veel mensen geëvacueerd moesten worden. Naar aanleiding van die overstroming verscheen een jaar later een lijvig, 14-delig onderzoeksrapport, maar nog diezelfde winter, in januari 1995, was het weer raak. Het was het signaal dat er ingegrepen moest worden. De Maas moest meer de ruimte krijgen. Het hele project diende te worden gefinancierd door grind- en zandwinning.

Burger kijkt naar overheid

Bij een overstroming van rampzalige omvang wordt altijd een aantal vragen gesteld: hadden we de ramp kunnen voorkomen? Welke lessen leren we hieruit voor de toekomst? En wie is verantwoordelijk, ook voor het afhandelen van de schade? Het lijkt erop dat de individuele burger heden ten dag meer van het Rijk, de Provincie, de Gemeente en het Waterschap verwacht dan in vroegere tijden.
Hoogwater in de Grote Looiersstraat Maastricht op 21 december 1880. © Historisch Centrum Limburg (Fotocollectie GAM)

4 - Uitroeiing van de Eburonen

De geschiedschrijving van Limburg begint gelijk met een bloedbad. De vroegst geschreven bron over onze streken danken we aan Julius Caesar. De verovering van het Maasdal door de Romeinen halverwege de eerste eeuw voor Christus verliep niet zonder slag of stoot. De lokale, Keltische (of misschien Germaans-Keltische) bevolking van de Eburonen kwam onder leiding van de koningen Ambiorix en Catuvolcus in 54 voor Christus in opstand. 9000 Romeinse legioensoldaten werden in een hinderlaag gelokt en gedood.

Wraak van Caesar

Caesar nam ongenadig wraak. Hij schrijft in zijn De Bello Gallico dat hij 'tot straf voor zo’n misdaad het ras en de naam van het volk uit moest roeien'. Andere stammen riep hij op om te komen plunderen. Niet tevergeefs: zij verrasten velen, nog verspreid na hun vlucht en maakten zich meester van een grote veestapel, iets waarop de barbaren zeer belust zijn. Om het karwei af te maken werden alle dorpen, alle alleenstaande hoeven in brand gestoken en het vee gedood.
In de derde eeuw begonnen Germaanse troepen van de andere kant van de Rijngrens het Romeinse imperium binnen te vallen. De nederzetting Maastricht werd vanwege deze dreiging omgevormd tot een vesting. Met de verovering van Keulen door de Franken in 454 kwam er definitief een einde aan het Romeinse gezag in onze contreien.
De schilder George Tielens (1888-1950) verbeeldde in de Gemeentegrot van Valkenburg de veldslag tussen de Eburonen en de Romeinen rond het jaar 53 voor Chr. © archief Jo van Aken

5 - Tweede Wereldoorlog: gevechten, geweld en vervolging

De Tweede Wereldoorlog heeft ook in Limburg een zware wissel getrokken. De Duitse inval op 10 mei 1940 ging gepaard met geweld, verwoestingen en verlies aan mensenlevens. De vervolgingen en andere terreur van de bezetter in de daaropvolgende jaren zorgden voor een groot aantal slachtoffers. Vergissingsbombardementen door Britse vliegtuigen eisten in Geleen en Maastricht mensenlevens.

Veel slachtoffers tijdens bevrijding

De zwaar bevochten bevrijding in 1944/1945 maakte ook onder de burgerbevolking vele slachtoffers. In september 1944 werden Zuid-Limburg en Weert en omgeving bevrijd. De bevrijding van Noord- en (overig) Midden-Limburg ging veel moeizamer. De Duitsers hadden langs de Duitse grens en noordelijker in de rivierendelta van de Maas, Waal en Rijn front gemaakt tegen de oprukkende geallieerden. In Midden- en Noord-Limburg liep het front van Sittard noordwaarts naar Nijmegen. In menige plaats werd vaak letterlijk om elk huis gevochten. De Duitsers trokken zich pas terug nadat alle hoge gebouwen, zoals kerken en molens, die als uitkijkpost dienst konden doen, waren vernietigd.

Evacuatie en oorlogsgeweld

In het frontgebied werden de inwoners massaal geëvacueerd. Vaak konden ze pas maanden later naar hun gehavende woonplaatsen terugkeren. De strijd richtte zich op twee gebieden: ten eerste Noord- en Midden-Limburg ten westen van de Maas en verder het gebied tussen de Maas en de Roer, de ‘Roerdriehoek’. In het noorden werd Venray op 17 oktober door Britse troepen bevrijd. De prijs was hoog: de hele binnenstad lag in puin. Gedurende deze strijd werden naar schatting 30.000 mensen uit het omstreden gebied geëvacueerd naar Noord-Brabant en België. Pas op 8 januari 1945 werd de bezetter definitief van de westelijke Maasoever verdreven.

Bombardementen

Het offensief in de Roerdriehoek nam ongeveer vijf maanden in beslag. Al vanaf begin november 1944 waren de inwoners van Susteren, Echt en andere dorpen aan de frontlinie gedwongen een goed heenkomen te zoeken in met name Montfort, Posterholt en Roermond. Pas eind februari 1945 kwam een einde aan de Slag om de Roerdriehoek. Gedurende de vier maanden van strijd werden de bewoners van dit gebied een of meerdere malen geëvacueerd. De bombardementen op Limburgse steden en dorpen kostten zo’n duizend burgers het leven en een veelvoud raakte gewond. Daarnaast zorgden de bommen voor een enorme materiële schade. De binnensteden van Venlo, Roermond en Venray werden grotendeels verwoest. In Montfort stond nauwelijks nog een huis overeind.
De bevrijding van Limburg kostte ook onder de burgerbevolking veel mensenlevens © ANP

6 - Levensgevaarlijke kinderjaren

In praktisch alles verschilt het heden van het verleden, maar niet in de onvermijdelijkheid van de dood. Elk leven eindigt ermee, en tijdens het leven wordt ieder mens meermaals met de dood van dierbaren geconfronteerd. Hoe we met de dood omgaan is in de loop van de eeuwen wel sterk veranderd, vooral – zo lijkt het – de laatste honderd jaar. Vroeger was de dood veel meer aanwezig dan nu. Er waren vrijwel geen gezinnen (arm noch rijk) waar de dood niet één of meerdere kleine kinderen uit het leven wegrukte.

Kindersterfte alledaags fenomeen

Zo’n gruwelijke, en vaak onverwachte, gebeurtenis bezorgde de ouders en andere familieleden een intens verdriet, een verdriet dat een litteken op de ziel kon bezorgen dat nooit meer wegging, maar toch lijkt het erop dat het verdriet na een periode van rouw als het ware werd opgeborgen. Wellicht heeft het feit dat kindersterfte een alledaags fenomeen was de nabestaande van een gestorven kind minder eenzaam gemaakt. Tegenwoordig verhoogt de uitzonderlijkheid van een dood kind het gevoel van verlatenheid. Ook moet niet worden uitgevlakt dat veel mensen in hun godsvertrouwen troost vonden. In katholieke kring ontleende de gelovigen troost en steun aan sommige heiligen, Maria voorop.

Betere hygiëne

In de negentiende eeuw nam de medische wetenschap een vlucht. Er ontstond veel meer kennis over de behandeling, en zeker ook de preventie van ziekten. Het belang van hygiëne werd steeds meer ingezien. Hygiënische omstandigheden bij medische behandelingen en rond bevallingen (handen wassen!) kregen prioriteit. Ook van persoonlijke hygiëne als van hygiënische woon- en werkomstandigheden werd het belang ingezien. Door diverse maatregelen nam het aantal gevallen van kindersterfte tussen 1880 en 1920 spectaculair terug. Van elke 100 kinderen die in Limburg rond 1860 levend ter wereld kwamen overleden er 16 in het eerste levensjaar. Rond 1925 liep dat sterftecijfer terug tot 7 en rond 1935 trof de dood nog 4 van de 100 kinderen onder de één jaar.
Een gezin uit de 19e eeuw. © iStock
7 - Vervolging van de Bokkenrijders
Geen onderwerp uit de Limburgse geschiedenis spreekt zo tot de verbeelding als de 'woeste avonturen' van de bokkenrijders, de meedogenloze bendes die in de achttiende eeuw het platteland onveilig maakten. Geen kerk of pastorie was voor hen heilig, laat staan het bezit van een rijke boer. De rooftochten maakten al snel deel uit van de volksverhalen en de populaire literatuur. In die context is ook de naam 'bokkenrijders' ontstaan; door een pact met Satan konden de bandieten zich op duivelse bokken door de lucht verplaatsen en in één nacht op ver van elkaar gelegen plekken hun misdaden plegen. De fantastische verhalen zijn door latere geschiedvorsers vaak als historische bron gebruikt. Het idee van goed georganiseerde, geheime bendes beheerst tot op de dag van vandaag het beeld.

Pijnbank

Een verklaring voor het optreden van de bendes is gezocht in de armoede en de groeiende sociale tegenstelling op het platteland van Zuid-Limburg in de achttiende eeuw. De bokkenrijders worden soms zelfs gezien als vrijheidsstrijders. Hierbij hebben we eerder met veronderstellingen te maken dan met harde feiten. Impliciet of expliciet gaan deze verklaringsmodellen uit van het bestaan van bendes. Opmerkelijk is dat de bekentenissen die de verdachten op de pijnbank aflegden in de geschiedschrijving lange tijd nauwelijks kritisch gewogen zijn. De vraag welke waarde we mogen hechten aan de verklaringen die door tortuur zijn verkregen, werd opvallend weinig gesteld.

Twijfel

Tegenwoordig wordt er toch wel behoorlijk getwijfeld aan het bestaan van het fenomeen 'bende'. De verschillende overvallen en diefstallen worden nu als losstaande incidenten gezien. Niettemin staat vast dat er vele honderden mensen hun leven hebben gelaten op het schavot. Tussen 1743 en 1777 zijn door juridische dwaling bijna vijfhonderd personen veroordeeld tot de doodstraf. Vrouwen en kinderen van de slachtoffers leefden verder in grote armoede en schande. De bokkenrijders zijn vooral bekend uit Zuid-Limburg, maar er vonden ook vervolgingen plaats in Midden-Limburg en in Belgisch Limburg.
Terechtstelling bokkenrijders © RHCL, Prentencollectie RAL, cat. nr. 737

8 - Mijnongelukken

Het beroep van mijnwerker is gevaarlijk. Dat was in de Limburgse 'koele' niet anders, ook al hadden deze een goede reputatie op het vlak van veiligheid. Er bestond instortingsgevaar, water kon onverhoeds opkomen, een brand kon razendsnel om zich heen grijpen en het reukloze mijngas lag bij wijze van spreken altijd op de loer. Verstikking en explosiegevaar, iedere 'koelpiet' was er als de dood voor. Naar schatting hebben 1500 koempels tussen 1852 en 1974 hun leven verloren.

Ondergrondse brand

Een grote ramp deed zich op 23 maart 1947 voor in Staatsmijn Hendrik, toen een slippende transportband op 636 meter diepte oververhit raakte. Smeerolie, kolengruis en houten materialen vatten vlam. Aangewakkerd door een luchtstroom stond de galerij over een lengte van 90 meter in geen tijd in lichterlaaie. Dertien koempels vonden de dood, het gelijke aantal dat 13 juli 1928 in dezelfde mijn was omgekomen bij een mijngas- en kolenstofontploffing.

Gevaren aan het kolenfront

Het gevaar onder in de mijn beschouwden de koempels als beroepsrisico. Daar stonden een hoge beloning, beroepstrots en kameraadschap tegenover. Ook was men zich ervan bewust dat het geen gezond werk was, maar van de risico’s die het stof in de mijnen op de lange termijn met zich meebracht, hadden velen hooguit een vage notie. De mijndirecties beschouwden het niet als hun plicht om de werknemers te wijzen op het gevaar van stoflongen of om zieke werknemers arbeidsongeschikt te verklaren. De ziekte werd vaak afgedaan als 'normale slijtage' of 'astmatische bronchitis'. Duizenden mijnwerkers werden door de verstikkende silicose getroffen. Zelf spreken ze van sjtöp. Een stille ramp.

Bovengrondse gevaren

Het was geen mijnramp, want in 1975 waren de steenkolenmijnen al gesloten, toen een grote ramp plaatsvond op het terrein van DSM. De opvolger van de mijnen in Limburg werd getroffen door een explosie van een naftakraker. Op het DSM-terrein tussen Beek en Geleen kwamen op 7 november 1975 14 mensen om en raakten er 109 gewond. Huilende vrouwen voor poort van DSM kopte de krant de volgende dag. Tegen de avond dreigde opnieuw een ramp. De tanks met miljoenen liters brandende nafta scheurden open en zetten nog vier andere tanks met nafta in vlammen. Er werd opnieuw groot alarm geslagen, terwijl politiewagens rondreden en de bevolking waarschuwden de ramen open te zetten in verband met verder explosiegevaar. De Westelijke Mijnstreek ontsnapte ternauwernood aan een catastrofe.

Hoge aantallen

In totaal zijn 1500 mijnwerkers in Limburg verongelukt, zowel onder- als bovengronds. Het waren vaak ongelukken waarbij één of enkele werknemers omkwamen. Maar er vonden ook grote rampen plaats: Staatsmijn Hendrik, 1947 (grootste ramp: 13 doden), Staatsmijn Maurits 1958 (7 doden) en ramp Naftakraker DSM Geleen 1975 (14 doden).
De ramp op de staatsmijn Hendrik in 1947 was nationaal en internationaal nieuws © Collectie Heemkundevereniging

9 - Verdwenen industrieel erfgoed en kleinschalig landschap

Bij een ramp denken we aan iets vreselijks dat ons plotseling overkomt. Maar een ramp kan zich ook haast sluipenderwijs voltrekken. En ook kan die ramp met het volle bewustzijn door ons zelf in gang zijn gezet. Iets dergelijks heeft zich voorgedaan met de leefomgeving van onze voorouders, of die nu op het platteland of in de stad woonden. Sporen van dit verleden zijn vaak bewust opgeruimd omdat ze niet meer pasten in het ideaalbeeld van een op de toekomst gerichte samenleving. Modern was goed, het verleden was ouwe kraom die maar in de weg zat.

Mijnschachten opgeruimd

Oude fabrieksgebouwen stonden leeg en leverden niks meer op. Afbreken was de enige optie. Aan alternatief hergebruik werd niet gedacht Zo zijn in de jaren 1970-1990 onder de naam ‘Van Zwart naar Groen’ vrijwel alle gebouwen die aan het mijnverleden herinnerden opgeruimd. Maar de ontkenning van het verleden leverde maar al te vaak een onbezield heden op, hebben we gemerkt. Nu kijken we met een jaloerse blik naar Belgisch-Limburg en het Ruhrgebied, waar veel zorgvuldiger met de relicten van het industriële landschap is omgesprongen.

Schaalvergroting

Op het platteland heeft zich een al even ingrijpend proces voorgedaan. Na de Tweede Wereldoorlog stond het landbouwbeleid in het teken van rationalisatie, schaalvergroting en productiegroei. Boerderijtjes en kleine landschapselementen zoals hagen, hoogstamfruitbomen en poelen moesten letterlijk plaatsmaken voor efficiënte boerenbedrijven en grote landbouwpercelen. Vandaag de dag merken we met allerlei crisissen dat de grenzen van de groei in de landbouw bereikt zijn. Het huidige platteland is een barre woestenij vergeleken met het, ondertussen geïdealiseerde, boerenland van onze voorouders.
Het typische Limburgse landschap dat op veel plaatsen verdwenen is door ruilverkaveling © Flickr/ Bert Kaufmann/ CC BY-SA 2.0

10 - Busongeluk Cauberg, 1954

29 september 1954 is een zwarte dag in de geschiedenis van Valkenburg. Op die dag 68 jaar geleden gebeurde er een vreselijk busongeluk waarbij negentien mensen omkwamen. Het is de grootse verkeersramp uit de Limburgse geschiedenis en het grootste busongeluk van Nederland.
De verongelukte bus was er één uit een stoet van zeven, die die ochtend uit de omgeving van Luik was vertrokken voor een uitstapje van voornamelijk oud-mijnwerkers en metaalarbeiders uit het Waalse Grâce-Berleur. Niet alleen gepensioneerden namen deel aan de excursie, maar meestal ook hun vrouwen, en vaak ook hun kleinkinderen. Na een bezoek aan Klant’s Dierentuin op de kop van de Cauberg vertrokken de bussen voor de thuisreis. Ze daalden de Cauberg af. De dag erna kopt Het Limburgsch Dagblad: Vijftien Belgen vonden de dood in Valkenburg. Het Grendelplein bood na de ramp een apocalyptische aanblik.
Volgens de chauffeur, die het ongeluk overleefde, weigerden de remmen en deed de versnellingsbak het niet, waardoor hij ook niet op de motor kon remmen. Het autobusbedrijf werd later door de Belgische rechtbank schuldig verklaard aan de ramp wegens grove nalatigheid.

Eerste dodelijk auto-ongeluk

Opmerkelijk is dat het ongeluk van 1954 een reprise is van het eerste dodelijke auto-ongeluk van Nederland. Op 24 september 1901 namelijk, knalde een auto – in 1895 reed de eerste automobiel in Nederland – tegen de Grendelpoort. Ook nu weigerden de remmen, en ook nu was de chauffeur van de slechte staat van de remmen op de hoogte.

Veel slachtoffers

De opkomst van de auto vanaf 1900 leidde tot gevaarlijke situaties op de wegen die tot dan toe het domein van voetgangers, paarden en wagens waren. Er waren aanvankelijk nauwelijks snelheidsregels, het wegennet was niet berekend op snel verkeer en automobilisten reden roekeloos. Ondanks de relatief lage snelheden die konden worden bereikt, vielen er al snel veel verkeersslachtoffers. In de jaren zeventig van de vorige eeuw waren er in Nederland maar liefst 3000 verkeersdoden te betreuren. Door allerlei verkeersveiligheidsmaatregelen is dat aantal teruggebracht tot 581 in 2021.
Het Limburgsch Dagblad van 30 september 1954. Collectie SHCL © Collectie Heemkundevereniging